Wie was Junius?

Hadrianus Junius (Hoorn, 1 juli 1511 – Arnemuiden, 16 juni 1575)

Adriaen de Jonghe, zoals hij werkelijk heette, werd geboren in Hoorn, in een huis aan de Kerkstraat. Hoorn had nog geen Latijnse school, dus stuurden zijn ouders hem naar Haarlem om daar zijn schoolopleiding te volgen. Hij bleek een uitblinker en veranderde zijn naam naar een Latijnse versie: Hadrianus Junius. Wanneer hij precies ging studeren is niet bekend, maar hij stond in 1534 ingeschreven aan de Universiteit van Leuven, als begeleider van een minderjarige student. Vanaf 1537 maakte hij een studiereis naar Italië en volgde daar colleges aan universiteiten, waardoor hij kennis maakte met invloedrijke geleerden, diplomaten en edellieden. Hij promoveerde in Bologna in het jaar 1540 als geneeskundige en filosoof. Hierna verbleef hij enige tijd in Engeland en Frankrijk, waarna hij als rector terugkeerde naar Haarlem en zich daar settelde.

Junius leefde in de woelige periode van de Protestantse Hervorming, burgeroorlogen in Frankrijk en onenigheid in het Engelse koninkrijk. Hij was ooggetuige van het begin van de Nederlandse opstand. In al het politieke geweld verloor hij tot tweemaal toe zijn bibliotheek vol boeken en handschriften. Dit heeft hem niet belet zijn kennis over te brengen op anderen. Junius was zeer begaan met het lot van zijn leerlingen en collega’s. Hij deed vaak een goed woordje voor zijn studenten en uit zijn vele brieven blijkt dat hij goede contacten onderhield met collega geleerden. Als uitgever publiceerde hij klassieke Latijnse en Griekse werken, die hij voorzag van commentaren en soms vertalingen. Later in zijn leven maakte hij naam met zijn belangrijkste cultuurhistorische boek over het gewest Holland: Batavia.

Biografie Hadrianus Junius

Een uitgebreide biografie van Hadrianus Junius is terug te lezen op de website van “Vereniging Oud Hoorn” en in de publicatie van Dr. Dirk van Miert “Hadrianus Junius – Een humanist uit Hoorn”.

In de 17e eeuw is aan de gevel van zijn geboortehuis in de Kerkstraat te Hoorn
een beeltenis van hem aangebracht met een tekst van de dichter Hendrik Bruno.

Hier lag eerst Junius,
noch taal-loos als een kind,
Wiens wedergâ men
niet in zeven talen vind.

De geschiedenis van het Juniusfonds

Het Kerkenarmenfonds (1787) stamt uit de Middeleeuwen. De zorg voor de armen was in de Middeleeuwen de taak van christelijke organisaties. De geschiedenis van het fonds is nauw verweven met die van de Noorderkerk. Anno 2014 is de doelstelling opnieuw precies eender als vijfhonderd jaar geleden: zorgen voor de armen in Hoorn en omstreken.

Zij stelden hiervoor diakenen in. Deze speciale functionarissen hadden de opdracht geld en/of middelen in te zamelen en aan de armen te geven. In de praktijk deelden zij met name brood en soms turf uit. Aan het eind van de Middeleeuwen besloot de overheid zich ook met de zorg voor de armen te bemoeien. Er werden kerkenarmenvoogden aangesteld. In de archieven van de gemeente Hoorn ligt het electieboek waarin alle kerkenarmenvoogden vanaf 1530 vermeld staan. Vermoedelijk ligt hier de bakermat van het Kerkenarmenfonds.

De kerkenarmenvoogden in Hoorn verkregen hun inkomsten uit legaten die werden beheerd door kerkmeesters. Tot er in 1579 iets bijzonders gebeurde. In dat jaar droegen de kerkmeesters van de Noorderkerk het beheer van alle goederen en bezittingen over aan de kerkenarmenvoogden, inclusief de kerk zelf. Hierdoor veranderde de taak van de kerkenarmenvoogden aanzienlijk. Naast de armenzorg waren zij ineens ook verantwoordelijk voor het onderhoud, de koster, de voorzangers, de gravenmakers, et cetera. De bron van inkomsten veranderde eveneens. De kerkenarmenvoogden verkregen nu ook inkomsten uit bijvoorbeeld graven en zitplaatsen. Deze situatie duurde tot 1866.

In 1866 werd het kerkelijke deel van de Noorderkerk gesplitst van het burgerlijke deel. Het kerkelijke deel ging op in de hervormde gemeente; het burgerlijke deel werd het Kerkenarmenfonds. Met deze splitsing kreeg het Kerkenarmenfonds de oorspronkelijke doelstelling van de kerkenarmenvoogden: de zorg voor de armen.

Vanaf het einde van de negentiende eeuw regelde de overheid voorzichtig de eerste sociale voorzieningen. Dat leidde er in 1921 toe dat het Kerkenarmenfonds in Hoorn het College van B&W subsidieerde voor de brood- en turfbedeling in plaats van het zelf te doen. Op 1 januari 1965 werd als sluitstuk de Wet algemene bijstand ingevoerd, waardoor het Kerkenarmenfonds feitelijk overbodig werd. Daarom paste het fonds zijn doelstelling aan. Het Kerkenarmenfonds hield zich vanaf 1965 tot 2012 vooral bezig met het ondersteunen van maatschappelijke en culturele activiteiten in Hoorn en omstreken. In deze periode konden vele historische gebouwen, objecten en culturele instellingen rekenen op een financiële bijdrage van het fonds.

In 2012 besloot het Kerkenarmenfonds zich weer meer te richten op de oorspronkelijke doelstelling: de armenzorg. Het fonds stelt nu ook financiële middelen beschikbaar voor de studie van personen met een laag inkomen of bijstandsuitkering.

 

De Noorderkerk – Hoorn